Plein-artikel

 

Als aankomende teenager had ik in een of ander blad of tijdschrift een advertentie gelezen over een pop. De betreffende pop had de mogelijkheid jouw aan alle kanten bij te staan.

 Wel, als enig kind, geen enkele broer of zus, had ik wel de behoefte om een broertje of een vriendje te hebben en zeker zo’n iemand als die pop, die behulpzaam kon zijn! Hij zag er leuk gekleed uit, had halflang blond haar en een pet op terwijl hij schalks en zeker uit z’n ogen keek.

Ik stelde mezelf al voor dag en nacht te delen met de behulpzame Charlie, want zo heette hij.

 Vliegensvlug scheurde ik de advertentie uit, vulde de bon in en stuurde deze op. Ik zou niets tegen moeder zeggen, want als zij het te weten zou komen zou ze zeker vragen wat ik, als jongen, met zo’n pop moest doen. Daar ga ik mee wandelen en spelen, had ik dan gezegd. Loop toch gauw heen, jij hebt vriendjes genoeg waarmee je kunt spelen, zou haar verweer zijn. Jahaa, misschien wel, was mijn verdediging dan geweest, maar alleen overdag, ‘savonds kan ik nooit met iemand vertellen of spelen en jij luistert of speelt toch niet. Daar kon ze toch niets tegen inbrengen, maar toch was het beter om maar even niets te zeggen.

 Intussen droomde ik over Charlie. Dat we samen gingen wandelen over het pad even verderop, waar ik zo graag naar toe ging omdat daar allerlei mooie bomen en struiken stonden en er heel veel vogels zaten. Er stonden geen huizen, dus we konden ongestoord onze gang gaan. We konden ons verstoppen achter de struiken en we konden in de bomen gaan klimmen. We zouden ook naar de rivier kunnen gaan om daar aan de waterkant te gaan zitten, samen vertellen of gaan zwemmen misschien, maar… kon Charlie eigenlijk wel iets van die dingen doen. Het was tenslotte maar een pop. In de advertentie stond toch wel duidelijk dat hij behulpzaam was en dat hij zelfs kon praten…

 Nachtenlang sliep ik niet goed, alsmaar denken wanneer ik Charlie zou kunnen zien, omhelzen en tegen hem zeggen: wat ben ik blij eindelijk jou als broertje te hebben!

 Charly

Een tijdje later was het zover. Ik kwam van school en liep de huiskamer binnen. Tot mijn allergrootste verbazing zag ik op de kast een doos staan, die waarschijnlijk door moeder was aangenomen en keurig op de kast gezet. Door het doorzichtige glasfolie zag ik Charlie staan.

Minutenlang stond ik als aan de grond genageld naar de wezenloze pop te kijken. Het ding keek me blij en glunderend aan. Langzaam liep ik naar de kast en nam de pop uit de doos. Z’n pet stond wat scheef op z’n hoofd, z’n half lange blonde haren bleken een soort touw te zijn. Zijn kleren waren danig verfrommeld, alsof deze, samen met Charlie, rechtstreeks uit een vuilniszak kwamen.

Ik betastte het hele ding en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat het allemaal nep was. Charlie kon helemaal niks! Alleen maar staan of zitten, wanneer je de benen naar voren trok, en dat was het. Waarschijnlijk zal er achter in zijn rug een opening zijn, waar je een batterij in kunt stoppen, zodat hij een woordje kon spreken. Ik zette Charlie naast me neer, hij kwam net tot aan m’n knieën …

 Is die voor jou?, verraste moeders stem mij onaangenaam. Eh…eh…bwàà!! Mà-hààm!! Ik wil die pop helemaal niet!! I-i-ik dacht d-d-dat het een l-l-leuk b-b-broertje zou zijn…

Zoals nu had ik nog nooit gestotterd en tranen kwamen al biggelend tevoorschijn, maar ik voelde me dan ook behoorlijk in de kijker gezet.

 Ja, jongen, dat krijg je er nou van wanneer je iets doet waar ik niets vanaf weet. Je kunt die pop maar beter weer in de doos doen, dan zal ik hem wel terugsturen, zei moeder met een rustige maar niet erg vriendelijke stem. Dat kon ik maar het beste doen.

Dag Charlie, zei ik in gedachten, al kunnen we dan geen broertjes zijn, misschien krijg ik later wel eens een ander broertje of zusje. En eerlijk gezegd, jouw naam vind ik ook niet zo mooi!

 Zo stapten moeder en ik even later naar het dichtstbijzijnde postkantoor om Charlie voorgoed uit te bannen. Al met al was ik allang blij, want hoe had ik die vijftig gulden dan moeten betalen zonder dat moeder er iets van af wist?

Het Peerd van Ome Loeks

t Peerd van Ome Loeks is dood,
Loeks is dood, Loeks is dood;
t Peerd van Ome Loeks is dood,
hailemoal dood!
Guster nog goud gezond,
Draaide mit steert in t rond;
t Peerd van Ome Loeks is dood,
Hailemoal dood!
Haar k hom moar vreten geven,
Waas e nog ien leven bleven.
t Peerd van Ome Loeks is dood,
Hailemoal dood!

Peerd van Ome Loeks


Langs de rivier stond een tent. Nu ja, een tent? Het was een zelf gemaakt onderkomen van enige houten palen met daar geheel omheen geslagen en gehangen textiel. Hier en daar een nageltje in de palen en op de grond provisorisch afgedekt met enkele dikke stenen om het algeheel enige steun te kunnen bieden.

Binnen in de tent zaten enige jongelui te genieten van vooral zichzelf. Een enkeling had aandacht voor een ander. Flessen drank lagen verspreid door de krappe omgeving. Een zware, verstikkende damp hing rondom het geheel.

Het was voorbij middernacht, in de verste verte luidde een klok der kerk eenmaal.

Hoog boven het onderkomen hingen zware wolken. Een enkele bliksemschicht schoot van boven rakelings langs de hoge schoorsteen nabij de tent. Het gedonder was nauwelijks hoorbaar. De rivier stroomde vergezeld van enkele schuimkoppen gestaag verder. De westenwind was stevig en zo dadelijk zouden hevige regenvlagen neder dalen.

Klep is van mij!, riep een stem in de tent. Hou je bek!, riep een andere stem. Klep! Klep is van mij!, riep de eerste stem opnieuw met verhoogde jengelende tonica, waarvan het tronica diverse boekdelen sprak. Aangezien niemand dit zag doch enkel hoorde, vielen andere stemmen over de eerste stem heen. D’ruit!, riep een derde stem.

Bliksem1

Enige ogenblikken later liep één hunner door de stromende regen langs de intussen kolkende rivier, hevig zwaaiend met zijn armen, zijn blik omhoog wendend waarbij hij prevelde wat er nu gaande was. Zijn kleding doorweekte, zijn lange haren hingen als slierten langs het iele, smalle gelaat waarvan de grote donkere ogen vuur schoten, zodat het leek alsof er een lopende lampion onderweg was.

Nabij de brug over de rivier stond een vrij lang figuur, gekleed in een lange donkere jas. De figuur had zich een parapluie, ter bescherming van de hevige regenbuien, boven het hoofd geplaatst. De figuur wachtte gestaag op wat komen zou. Onderwijl schoten de diverse bliksemschichten alle richtingen uit. De westenwind woei nog immer hard en mede door de harde stralen der regen maakte het dat de statige parapluie in één knak omhoog stond en dat zou de wachtende figuur dra veranderen in de voortlopende persoon op weg naar de brug.

Waar blijf je?, vroeg de wachtende figuur toen de voortlopende persoon naderbij kwam.

Ik ben gevlucht, hijgde deze amechtig. Gevlucht, waarvoor?, wilde de wachtende figuur weten. Mijn geest wil niet meer, mijn lijf en ledenen zijn verstijfd, ik ben aan volledige rust toe, jammerde de intussen stilstaande persoon. Neem mij mee en geef mij een behoorlijk opgemaakt ledikant, jammerde hij verder.

Zo kwam het dat enkele dagen later, terwijl het vensterraam open stond, zachte zonnestralen er doorheen schenen en deze zich neder vleide op het iele smalle gelaat van de vluchteling.

Hij sloeg zijn grote ogen open en beschouwde langzaam de omgeving.

Ben ik nu dood, vroeg hij zich hardop af.

Neen, ge leeft nog, antwoordde een zachte stem. Blijf diep adem halen en ge zult in enkele ogenblikken het paradijs aanschouwen.

Oh, hoe heerlijk, juichte de vluchteling ingenomen, op naar het licht, daar was ik aan toe…

*Een vertelling opgetekend naar waarheid en onwaarheden ten tijde van zwaar weder*