Eens was er een tijd toen herten sprongen over dammen, toen reeën vlogen over water, feeën dansten door het woud, kabouters marcheerden over paden die de mens nooit betreden zal.

kleinezwaan

Zeeën zo diep, water zo helder, feeën zo lieflijk, prinsen moedig en kloek waar geen mens weet van heeft, als slechts in zijn dromen, waar kastelen groter zijn, waar kandelaars eeuwig branden, waar tafels altijd gedekt zijn, om er samen met fee en prins het ontbijt te nuttigen van gouden borden met zilveren bestek, drinken uit ivoren kelken, rode wijn uit kristallen glazen, parelen en diamanten schitteren van helderheid, weerkaatsend in de ogen der fee en prins, heldere glazige tranen rollen langs de wangen der gast, dieprode spijt, helderblauwe schaamte, grijsachtige zilverwitte gedachten die angstvallig voorbij gaan, zonder een vraag te stellen, zonder te weten er te zijn, in een doorzichtige kamer, een ruimtelijke nevel, hangend door de tijd, zwevend en dansend naar verder en verder weg, weidse oorden zonder bestemmingen, mijmerend over een verloren dag, naar gelang de tijd zich strekt, en even verderop opent zich een ring van zuiver diamant, gesmeed door de elf en door de prins, in liefde en barmhartigheid voor eerder, nu, later en eeuwig.