Gedachtengang van één persoon, opgetekend door een ander persoon.

Dat is het dan, bedenk ik me na enige jaren genieten van een allesomvattende levensstijl die alleen ik kan vertellen. Omdat het mijn leven is. Omdat het mijn instelling van dat leven is.
Genieten? Is het wel genieten? Is het misschien geen doornenkrans die rond je hoofd wordt gelegd, tijdens één van die rituelen die je ondergaat bij het dagelijkse doen en laten.
Lacherig, honend, slijmerig misschien, zien de anderen toe hoe je die doornenkrans draagt. Bloederige taferelen wellicht, waarbij de rode straaltjes langs je gelaat naar beneden rollen.
Ach, lispel ik onverstaanbaar, ware het toch nooit zover gekomen dat ik hier als een tweedehandse bedelaar langs pad en weg mijn gram zal moeten bekomen.
Klanken herinneren me aan het voorbije verleden. ‘Talk to me, heaven is waiting’. Talk to who?, vraag ik mij af. Naar wie of wat zullen mijn vragen gericht zijn? Gods vrije akker kan ontelbare vierkante meters groot zijn, krimpen doet die akker vrijwel niet en de God al helemaal niet.
Tenzij ik ergens in een of ander optrekje binnenskamers voor het venster zou kunnen plaatsnemen om er op mijn beurt de passanten te beschouwen en te bewonderen.
Ik zal met zwaar verlamde hand proberen een groet over te brengen naar hen. Zullen zij niet schrikken van mijn hopeloos gebaar, van het gebroken lot hetgeen achter mij schuilt en waarvan de overrijpe vruchten nog steeds te plukken zijn…
‘Loving you’, golven klanken langs mij heen. Ik moet mijn tranen bedwingen. Het zijn slechts gezongen fragmenten uit gesymboliseerde, kunststoffen levens, bedenk ik me.
Niets is bedrieglijker dan dat. Het is gemaakt om gebroken individuen als ik te doen belanden in de ellende van een ander.
Wis en waarachtig lukt het de maker van dergelijke liederen de luisteraar te bewegen deel te nemen aan zijn fantastische onzinnige woorden- en klankenbrij.
Ik zal mijn hoofd moeten afwenden van het venster opdat de passanten niet zullen zien hoe wreed het lot met mij omgaat. Neen, laat ik de klankenbrij niet langer hoeven aanhoren. Laat ik de schakelaar binnen in mij omdraaien opdat alles weg vloeit. Weggaat vanuit mijn brein, ik kan het niet langer verdragen. De pijnlijke inwerking van de doornenkrans speelt mij parten. Echter, niemand zal zien daar die krans mijn hele leven ontsiert en ontmoedigt.
De klankengolf vloeit langzaam weg uit mijn hersenen, mijn aandacht wordt getrokken naar een vreemd ritueel. Geen dagelijks ritueel, maar toch een voorbeeld van het diepere sociale samenzijn.
Een vrouw, de moeder misschien, neemt een baby in haar armen. De kleine dient zorgvuldig toegestopt te worden vanwege de matige koude die buitenshuis heerst. Ik aanschouw het ritueel. Wanneer de vrouw bemerkt dat ik als toeschouwer haar bespied, bergt zij het kleine kind zo snel als mogelijk in het wandelwagentje en stopt het kind liefdevol, met veel warmte toe. Zij verdwijnen uit het zicht. Mijn hart breekt.
Wat doe ik in ’s-Heerensnaam hier binnenshuis? Langs pad en weg was ik doende mijn gram te halen bij hen die het allemaal niet zo nauw nemen. Dus snel ik in gezwinde tred het optrekje uit, de buitenlucht in, op zoek naar datgene er in het dagelijkse leven verfomfaaid en nonchalant vanaf komt. Ik neem mijn klaroen ter hand en wil luidruchtig konde doen aan allen die het horen willen.
Doch in stilte zwerf ik langs verdorde maïsvelden, langs kale bomen en struiken, terwijl ik behoedzaam de straaltjes rood vocht langs mijn gelaat dep met een zojuist gevonden dieprood kastanjeblad.
My heart beats faster.
No comments yet
Feed met reacties voor dit artikel