
Wanneer we ’s nachts in het vooronder lagen en keken door de ronde raampjes van de boot, dan hoorden wij het klotsen van het water. De golven zwiepten alsof het niets was, schuimbekkende monsters waren het. Ik deed de gordijntjes snel dicht en hoopte dat wij heelhuids op de plaats van bestemming kwamen. Waarom ik nu zo twijfelde wist ik niet, mijn oom immers was een goed en volleerd schipper. Eveneens al zijn andere collega’s waren immers goede en volleerde watermensen die wisten hoe je een boot door de rivieren diende loodsen.
Wij voeren vanuit het zuiden naar het westen, waar de kade wachtte en waar ik zo blij zou zijn de wijde omgeving weer te zien. Dagenlang hadden wij aan de vaste wal gelegen om er uit te rusten maar zeker ook om er goederen in te slaan om te vervoeren naar andere plaatsen. Maar ook om proviand in te slaan voor de komede dagen. Nu had je wel op vaste plaatsen de parlevinker die je ook kon voorzien van allerlei etenswaar maar toch vond onze bemanning het beter toch maar wat voorraad mee te nemen.
Het schip werd zwaar en wanneer je bij dag door de wandelgang langs dek liep, leek het alsof het wilde water zo meteen de hele boot in beslag zou nemen. Het geronk van de motor maakte je bijna onverstaanbaar wanneer je iets wilde roepen naar de stuurman in de kajuit. Met zijn oude scheepshoorn verscheen hij door het kajuitraampje en riep dat ik wel voorzichtig moest zijn. De lui aan de vaste wal zouden wel denken dat ik niets gewend was en in hoge mate geleid diende te worden.

Eenmaal op de plaats van bestemming haalde ik ontzettend opgelucht heel diep adem en maakte vreugdesprongetjes van geluk, zeker om de vertrouwde St. Nicolaaskerk weer te zien. Het aanmeren gebeurde altijd vlak bij de ingang, waar plaats was voor meerdere boten. De loopplank werd uitgelegd en ik stoof als een blij kind de vaste wal op gevolgd door mijn zusje die ik wel even diende te helpen daar ze anders pardoes van de loopplank af zou vallen. Op de kade deden we leuke spelletjes die we op de boot niet konden doen. Bokje springen, touwtje springen en al hinkelend stenen tellen.
Hier, voor de grote St. Nicolaaskerk zouden we enkele dagen blijven liggen totdat oom en mijn moeder het welletjes vonden en de reis voortzetten. Ik vond dat niet echt leuk. Liever zat ik bij mooi weer op het achterdek van de boot, naast de kajuit, om er te kijken naar de andere kant waar het grote Koffiehuis lag en zicht op het Centraal Station waar je veel mensen zag gaan en komen.
Over Het IJ voeren alsmaar rondvaartboten maar ook gewone kleine vrachtschepen die ik nauwlettend in de gaten hield om te zien welke mensen er bij hoorden. Het was zomaar mijn idee om dat te doen. Gewapend met een klein blocnootje en een blauwe Bic-pen noteerde ik alles wat ik belangrijk vond.
Wanneer we ’s nachts weer het vooronder op zochten om ons er ter ruste te leggen was ik toch wel blij geen motorisch kabaal of het geluid van moordende schuimbekkende golven te horen. Slechts een enkele keer het zachte wiegen van de boot wanneer andere boten voorbij voeren en lichte golfjes veroorzaakten.
Naar de St. Nicolaaskerk gingen wij nooit, ik ook niet. Het gebouw was slechts symbool als thuishaven, meer niet.
‘t Zou een onderdeel geweest kunnen zijn van Dietsche Warande…

No comments yet
Feed met reacties voor dit artikel